Gastblogger Margot van Rijn – Rouwen en opvoeden

“Ik huil me nog liever kapot!”, schreeuwt hij vanuit zijn tenen. Woorden van frustratie en boosheid. Wat hij voelt is groot en overweldigend. Terwijl ik hem probeer af te leiden, geeft hij me te kennen dat hij niet kán stoppen met huilen. Mijn tienjarige zoon schreeuwt letterlijk om begrip. Mama, blijf bij mij. Dat is wat hij wil. Zodra ik hem zeg dat ik niet wegga, bedaart hij. Tranen branden in mijn ogen. Ik huil vanbinnen om zijn onmacht. En om de steek die ik in mijn hart voel. Ik had meteen het juiste willen doen…

De dag erna voel ik het nog steeds. Zijn verdriet. Maar misschien nog meer: mijn gevoel een tekortschietende moeder te zijn geweest. Terwijl hij gisteren alsnog heerlijk ging slapen, nadat ik bij hem en zijn zusje was gaan liggen. Ik weet dat ik uiteindelijk heb gedaan wat hij nodig had. Maar toch. Ik had hem beter willen begrijpen. Hem meteen willen geven wat hij nodig had. Ik huil. Want potverdrie, wat ken ik dit gevoel goed.

In de eerste jaren na de dood van mijn geliefde overheerste het namelijk dagelijks. Dat gevoel. Ik ben geen goede moeder meer. Van de een op de andere dag was ik een boos mens geworden. Boos op het leven. Boos op alles en iedereen. En dat terwijl boosheid van kinds af aan mijn grootste vijand was. Ik hield niet van boos. En dus kreeg ze nauwelijks ruimte. Ik hield mijn schreeuwende woede in toom, zoveel ik kon. Maar tegen de kinderen kwam het er soms genadeloos uit. Het bracht me in een vicieuze cirkel. De onderhuidse oorlog tussen mijn boosheid en mijn perfectionisme. Ik kon geen andere conclusie trekken dan: ik doe het niet goed.

Nu, zoveel jaren later, zie ik het gelukkig anders. Ik ben niet perfect, ik ben goed zoals ik ben. Als vrouw, als mens, als moeder. Maar die laatste rol blijft een gevoelige. Nooit heb ik geweten hoe kwetsbaar een moeder is. Hoe groot de verbondenheid met haar kinderen en hoe diep de gevoelens die daarbij horen. Als moeder wil ik het liefst nog steeds perfect zijn. Stiekem. Een moeder die haar kinderen beschermt tegen pijn en tegenslag. Een moeder die altijd geduld heeft, haar kinderen begrijpt en hen geeft wat ze nodig hebben. Elke moeder zal dit herkennen. We willen het zo graag goed doen. Als de dood dan aan je deur klopt, sta je als moeder oog in oog met een nieuwe uitdaging: rouwen en opvoeden tegelijk.

Opvoeden is liefhebben met heel je hart. Je kind aan de hand nemen en met hem meelopen. Vasthouden en loslaten, begeleiden en vertrouwen. Maar wat als je je hart niet meer vertrouwt? Wat als jouw hart zo is beschadigd dat zelfs de liefde lijkt verstild? Nooit heb ik gewild dat mijn moederhart zo twijfelde. Zo verward, in een leven dat niet meer het hare leek te zijn. Hoe kon dit moederhart nog liefde geven? Het overkwam mij. Zijn dood. Maar ook mijn vertwijfeling. Wakker worden als een ander mens. Niet meer weten of liefde bestaat. En toch deed ik het. Ik gaf liefde aan mijn kinderen, uit een onbewuste bron in mijn hart. We leefden, lachten en huilden. We gingen door, met vallen en opstaan. Maar mijn moederhart leed. Ik legde de lat namelijk hoger dan ooit. Mijn kinderen moesten hun vader al missen. Nu kwam het op mij aan. Ik móest het goed doen. Ik wilde de beste moeder zijn voor mijn rouwende kinderen. Onmogelijk kon ik voldoen aan mijn eigen verwachtingen. Wat had het me veel gescheeld als ik mezelf iets meer krediet had kunnen geven.

Niet voor niets is dit één van de boodschappen die ik een ouder probeer mee te geven, als ik hen nu als rouw- en verliesbegeleider ontmoet. Dat ze geen perfecte ouder hoeven te zijn. Omdat ik weet dat het belangrijk is dit te horen, vooral in tijden van verlies. Ik ontmoet rouwenden die niets anders willen dan het beste voor hun kind. Weduwen die, na een bijeenkomst over rouw bij kinderen en jongeren, huilend hun verhaal doen en me om advies vragen. Vaders en moeders die opvoeden met heel hun hart, maar ook rouwen met heel hun hart. Mijn opleiding tot rouwbegeleider leerde me hoe belangrijk de aanwezigheid van de overblijvende ouder is. Kinderen hebben veiligheid nodig, juist als hun wereld zo onveilig is geworden door het overlijden van een dierbare. Ook ik vertel dit nu aan de mensen in mijn praktijk. Maar de aanvullende boodschap is minstens zo belangrijk. Want neem maar van mij aan: die overgebleven ouder weet vaak dondersgoed hoe belangrijk haar rol is. Dat zij die veilige haven voor haar kinderen is. Dat het belangrijk is dat ze daar terecht kunnen. Maar ook in een haven stormt het soms of maakt de havenmeester weleens een foutje. En dan is er nog steeds geen man overboord. Dát is wat wij overgebleven ouders op het hart moeten drukken. Dat het in hun gemoed mag stormen. Dat ze al een haven zijn door hun armen te openen. Dat de zon daar niet altijd hoeft te schijnen en dat ze zelf soms ook tijd voor reparatie nodig hebben. Kortom, dat rouwend opvoeden niet betekent dat de lat omhoog moet. Juist niet.

Soms voel ik weer even hoe kwetsbaar mijn moederhart is. Vooral als ik mijn kinderen zie worstelen. Dan luister ik naar dat hart en huil ik vertwijfelde tranen. Wetend dat het bij me hoort, misschien wel bij elke moeder. Juist op die momenten moet ik mijzelf weer even helpen herinneren aan die lat. Die moeder-lat, die soms opeens omhoog schiet. Met een glimlach haal ik haar dan omlaag. Precies goed.

Gastblogger Martine Veen – Mama weet het ook niet…

Onaantastbaar

Voor de dood van mijn man, voelde ik mij als ouder bijna onaantastbaar. Kritiek of opmerkingen over onze opvoeding en het huishouden, namen wij tijdens het opruimen samen door en lieten wij als vanzelf van onze schouders glijden. Moeiteloos. Immers zo zien wij de dingen hier, we hadden onze eigen stijl, in de mini-subcultuur van ons gezin. Punt. Ik twijfelde weinig.

Twijfel over alles

Die tijd is geweest. Na de dood van mijn man voel ik mij bijna bezeten door het gevoel het goed te willen doen. Immers die arme kinderen van mij hebben al zo’n trauma opgelopen door de plotselinge dood van hun vader. Na het 10 minuten gesprek op school bel ik bijna standaard de kinderpsycholoog. Want ieder rimpeltje wil ik recht trekken in het kinderleven…. Ik twijfel aan alles. Doe ik het wel goed ? Heeft hij dit nodig? Zou ik niet beter dit kunnen doen? Of juist dat? Ik loop continue op mijn tenen.

Werkt niet

Gaandeweg ontdek ik dat juist dat niet werkt. Dat ik mijn kinderen niet kan behoeden voor teleurstelling, ongeluk en verdriet. In ons leven wordt dat pijnlijk duidelijk. Uit pure eenzaamheid ben ik namelijk een ‘soort van’ relatie aangegaan met een prima man waar ik niet verliefd op ben. Alsof dat niet genoeg is, confronteer ik mijn kinderen daar al in een vroeg stadium mee. Op dat moment had ik er uiteraard allemaal plausibel klinkende redenen voor, die ik me nu niet meer kan herinneren….

Jij kan mij niet helluppen

Mijn zoon gaat in de achteruitstand. Hij vindt het helemaal niets. Een man naast zijn moeder. Als ik de man en zijn kind na een uitje ga thuisbrengen, is mijn zoon opeens kwijt.  Ik vind hem om de hoek, zittend op de stoep. Boos is hij en hij wil niet praten. Als ik aandring op de reden van zijn boosheid en vraag wat ik voor hem kan doen, begint hij uiteindelijk hard te snikken. ‘Jij kan mij niet helluppen!!!, schreeuwt hij vanuit zijn tenen…. En ineens realiseer ik me dat hij gelijk heeft.

Mama weet het ook niet

Ik kan de dood van zijn vader niet wegnemen, niet verzachten. Dat hij moet omgaan met nieuwe situaties als een eenzame moeder of een moeder die op zoek gaat naar een nieuwe partner ook niet.  En zo zullen er nog talloze situaties volgen. Ik kan naast hem staan en hem opvangen áls hij dat wil en wanneer hij dat wil. En op dit moment wil hij dat klaarblijkelijk niet. Hij wil nu alleen maar boos zijn. Ik weet ook eigenlijk ineens niet meer waar ik precies mee bezig ben. En dus is dat wat ik tegen hem zeg: lieve schat, mama weet het soms ook eigenlijk niet….

Gastblogger Margot van Rijn – Verdriet mag er zijn

“Ik haat dinsdagen”, zegt Jip vanmorgen. Hij kan niet goed uitleggen waarom. Hij heeft er gewoon geen zin in vandaag. Hij maakt een boterham met vlokken voor zichzelf klaar. Als hij gaat snijden, vliegen de vlokken in het rond. Meer vlokken naast dan op zijn bord. Hij is er klaar mee. Stampvoetend rent hij naar boven. Als we verzuchten dat hij met het verkeerde been uit bed gestapt is, zegt Zoë serieus: “Ik stap altijd met hetzelfde been uit bed.” We lachen en Coen legt Zoë het principe van spreekwoorden en gezegden uit. Ondertussen ben ik naar Jip toe gelopen. Hij ligt op zijn bed. Ik aai z’n blonde haren en geef een kus op zijn wang. Hij is al wat bedaard, dat zie ik. Ik ben even bij hem. Weinig woorden. Ik zeg hem dat ik zijn boterham wel snijd en dat hij naar beneden mag komen als hij daar weer klaar voor is. Hij neemt zijn tijd en schuift even later weer aan de ontbijttafel. We knuffelen nog wat en vervolgen onze dagelijkse dingetjes. Als ik de kinderen later aanspoor tot tanden poetsen, begint Jips frustratie weer te borrelen. Hij wil niet. Hij wil niets. Hij wil niet naar school. Ik weet allang dat het gemok van vanochtend veel meer is dan ‘met het verkeerde been uit bed stappen’. Ik voel wat er met Jip gebeurt. Hij weet zich geen raad. Hij voelt zoveel. De tranen gaan rollen. Het is deze week die hem raakt. Deze eerste week van november. De week waarin we de donkere wolk van 4 november weer voelen. Zelfs als we er niet aan zouden denken, voelen we het in alles. In de klok die weer is verzet. De herfstblaadjes die vallen. De Sinterklaastijd die voor de deur staat. In ons lijf en ons hart. We voelen: het is weer zover.

Jip huilt. Hij blijft vooral zeggen dat hij niet naar school wil. “Ik wil bij jou blijven, mama.” Ik neem mijn grote jongen van bijna anderhalve meter op schoot. Hij kruipt dicht tegen me aan. Klein en kwetsbaar laat hij zich wiegen en troosten. Ik vertel hem dat hij wel gewoon naar school gaat. Dat ik met hem mee zal gaan en dat we met de juf zullen praten. Dat hij niet alleen is. De tranen blijven stromen, hij is het er nog niet echt mee eens. Maar ik voel dat ik hem vandaag iets mag leren. Hij kruipt lekker bij mij achterop de fiets. Zelf fietsen is teveel gevraagd. Met zijn armen om mijn middel, leunt hij tegen me aan. Nog steeds in tranen. Soms even stil, maar dan opeens weer hevig huilend. Als we bij school aankomen, vertel ik Jip dat ik zijn gevoel zo herken. Dat ik deze week ook snel boos en verdrietig ben. Dat ik het soms ook niet helemaal begrijp, maar dat ik wel voel dat er van alles in mij gebeurt. Verwarrende gevoelens, verdrietige gevoelens. En dat wij juist deze week met de mensen om ons heen mogen delen hoe we ons voelen. Omdat ze het dan begrijpen en er voor ons kunnen zijn. Zodat we niet alleen zijn. En dat is wat we gaan doen. Snikkend over het schoolplein, we lopen naar zijn klas. De juf weet wat voor week het voor ons is. Als ik zeg dat Jip een lastige ochtend heeft en ze ziet Jips betraande gezicht, snapt ze het meteen. We praten met z’n drietjes. Jip blijft me vasthouden. De juf geeft hem alle ruimte. Ze heeft gisteren al aan Jip gemerkt dat de voorbereidingen voor Allerzielen hem raakten. Dat het verdriet op zijn gezichtje af te lezen was. En dat dat oké is. Dat hij mag tekenen of knutselen voor papa. Dat hij mag praten of stil mag zijn. Jip hoort alles. Hij neemt het in zich op. Hij geeft aan dat hij er juist wel over wil praten in de klas. Hij wordt langzaam wat rustiger. We laten hem voelen dat we er voor hem zijn. Allemaal. En dat hij zijn verdriet mee mag nemen. Dat het er mag zijn. Hij kruipt op zijn stoel en haalt zijn tekenschrift tevoorschijn. Ik geef hem een aai over zijn bol en zeg hem gedag. Met een knipoog en een blik van dankbaarheid naar de juf. Ik laat hem vol vertrouwen bij haar achter. Jip komt echter weer hard huilend achter me aan gerend. Hij wil me niet loslaten. We houden elkaar nog een poosje stevig vast. Ik vertel hem dat ik niet wegga. Dat ik dichtbij hem ben. Dat ik van hem houd. En dan mag ik gaan…

Op de weg terug naar huis rollen mijn eigen tranen. Dit went nooit. De tranen van Jip, die zijn vader mist. Ik denk terug aan de momenten in Den Haag waarop we huilend naar school gingen. Jip als kleuter aan mijn ene hand, Zoë als peuter aan de andere. Toen was ik het, die huilde. Wanhopige tranen. Boze tranen. Tranen om weer een nieuwe dag. De moed zó diep in mijn schoenen. Met nog zoveel dagen daarna, die als een onmetelijk gebergte voor me lagen. Ik wilde niet. Ik kon het niet. Huilend droeg ik Jip dan over aan de juf. Zij nam hem vol liefde onder haar hoede. Vandaag stuur ik haar een berichtje als ik thuis kom. Omdat zij weet hoe het toen voelde. En hoe het deze week voelt. Verdriet dat nooit verdwijnt. Geluk dat weer door ons leven stroomt. In groot contrast met het verdriet van toen. Naast elkaar. Maar soms ook dwars door elkaar. Verwarrend en geruststellend. Want we weten inmiddels dat al die dagen waar ik zo tegenop zag, achter ons liggen. Dat we samen dat gebergte hebben getrotseerd. Dat er altijd hoop is. En liefde. Ook al kun je dat soms niet meer voelen. Vandaag huil ik met Jip. Maar mag ik hem ook leren dat ons verdriet er mag zijn. Dat het bij ons hoort. Voor altijd. En dat er altijd mensen zijn die hem willen troosten en helpen. Zoals de juf toen. En de juf vandaag.

Gastblogger Janny Westers – Do You Ever Miss Yourself…

Do you ever miss yourself?
The person you were before life changed everything?

Een vraag die ik hier niet zonder reden stel. Een waarop ik, als ik hem beantwoord, eerlijk en volmondig kan zeggen; JAAAAA en ook NEEEE.

Na de plotselinge dood van Daniël wist ik niet meer wie ik was; wat ik was zonder hem. En miste ik niet alleen hem, maar ook mijzelf. Ik was nog volop bezig om te ontdekken wie ik nu was als jonge moeder toen ik er ineens jonge weduwe bij werd. Overlevingsstand volgde. En ik kende mijzelf niet meer terug. Begreep op den duur niet alleen mijzelf niet meer, maar ook de wereld, de mensen om mij heen niet meer. En heb mijzelf met heel veel tijd opnieuw moeten vinden, ontdekken. Stapje voor stapje. Met heel veel vallen en opstaan. En elke keer dat ik viel en weer opstond, kwam er een stukje Janny bij. Ontdekte ik mijzelf, kwam mijzelf genadeloos hard tegen ook. En vond (en vind) nieuwe stukjes.

Al die stappen, noem het een proces, maken dat ik nog steeds Janny ben, maar wel een andere, rijpere volwassener, versie. Een die er als vrouw, moeder, dochter, zus, vriendin, collega, mens weer staat. Iemand van wie ik weer kan houden. Omdat ik er mag zijn. Niet alleen weer liefde voor anderen kan laten stromen, maar ook voor mijzelf. En doordat ik de liefde voor mijzelf weer voel, kan ik dit ook nog meer voor anderen laten stromen. Ja ik mis Daniël nog steeds, dat zal ook altijd zo blijven. De vanzelfsprekendheid van hoe het was, onze onvoorwaardelijke liefde mis ik ook. Het niet samen kunnen genieten en mogen opvoeden van onze kanjer blijft me hard raken. Ik mis mijzelf alleen niet meer. Ik weet weer wie ik ben. En kan weer verbindingen met mensen aangaan. Werken aan een andere vanzelfsprekendheid.

Het blijft lastig en soms stomweg irritant om niet alles met die ene te kunnen delen en dit nu in stukjes bij verschillende mensen te doen. En het nog ontbreken van die nieuwe leuke man in mijn leven begint ook wel te “knagen”. Ergens loopt hij rond. Dat weet ik. En gaat hij in ons leven passen, op een andere manier. Op het pad van verliefd (denken te) zijn, heb ik al wat nieuwe ervaringen opgedaan. Positief waren deze tot nu toe uiteindelijk niet; mijn blik was behoorlijk vertroebeld. En toch heeft dat mij ook dichter bij mijzelf gebracht. “Mensen ontmoeten elkaar met een reden. Of het wordt iets moois, of het wordt een levensles”. Het leven met Daan was prachtig, zijn dood afschuwelijk. En werd naast een drama ook een levensles. Een die ik liever niet had gehad, absoluut niet. Maar omdat het is zoals het is, koester ik wel hoe ik daaruit gekomen ben. Janny versie 2.0 leeft, intenser en zonder die onbezorgdheid, met meer bezieling, met krassen op het hart en op de ziel; maar ze leeft. En ze doet dingen die ze voorheen niet voor mogelijk had gehouden.

Er zijn genoeg mensen die met de beste intenties over de dood zeggen: ‘alles heeft een reden.’ Nou, ammehoela. Voor de dood is geen reden, daar is niks zinvols aan als je niet een compleet leven hebt mogen leven. Wel is het zo dat de dood er nu eenmaal is. En wij er allemaal ook op een afschuwelijke wijze mee geconfronteerd zijn. Door die confrontatie kun je tot de kern komen, tot de essentie. Kunnen naast de pijn en verdriet ook mooie dingen ontstaan, bijzondere ontmoetingen, verbindingen, inzichten. Lichtpuntjes. Als de mist langzaam optrekt en voorzichtig plaatsmaakt voor een klein, al is het aarzelend, doorbrekend zonnetje. Dan hoop ik dat je die zon kunt voelen, je op dat moment je kunt verwarmen en opladen. Je verbinding vindt met jezelf. Om op jouw pad te blijven. In jouw tempo. Op jouw manier.