Karin Kuiper – Überbraaf

Ofwel buitengewoon gezagsgetrouw. Dat ben ik. En dat was ik.

In al mijn dertig jaar rijbewijs heb ik één boete voor snelheidsovertreding gehad. Bij Soestdijk, omdat daar een stinkerig stukje zit waar je opeens geen 80 meer mag rijden maar 50 moet doen. Pardoes met 25 kilometer teveel voorbij dat punt gereden… suf maar waar. En in een flits lag ie daar, de boete.

‘Ogen dicht en handtekening onder de acceptgiro zetten,’ zei Karel. Het was de tijd van de papieren overschrijvingen. ‘En daarna niet meer aan denken.’
Zo gezegd zo gedaan, zou je denken, maar dat is niet helemaal zo. Omdat het mijn ENIGE snelheidsboete ooit is, blijft ie me bij en denk ik er af en toe toch nog aan.

Mijn overige boetes zijn voor onbetaald parkeren op een plek waar wel betaald had moeten worden ( een keer of zes), te laat betalen (niet meer te tellen sinds Karel overleed) en te laat inleveren (sponsorschap van de lokale bibliotheek).

Anyhow… sinds vanavond staat er een nieuwe overtreding op mijn naam, en niet zo’n kleine ook. Mijn kenteken is ingevorderd, geloof ik. Mijn scooterkenteken, bedoel ik. Mijn scooterke reed namelijk maar liefst 54 km op de rollerband. VIER-EN-VIJFTIG!! Niet dat IK er ooit zo hard mee heb gereden want, zoals gezegd, ik ben über-braaf en ik doe niet aan hardrijden, maar mijn brommertje kán het wel. En dat mag natuurlijk niet. Het is ook helemaal niet veilig, vandaar dat ik het nooit doe.

Maar meneer de (aardige) agent heeft daar uiteraard geen boodschap aan en schrijft terecht een boete uit en vordert daarbij terloops mijn kenteken in (virtueel dan, want ik had het papiertje niet bij me, mijn ID-bewijs ook niet, dus ik heb nog mazzel…)  

En nu moet ik eerst naar de scootershop om mijn brommertje weer op snorsnelheid te laten afstellen en daarna, met 24 kilometer per uur, naar het RDW-station op 26 kilometer afstand om het ding te laten herkeuren zodat ie opnieuw wordt toegelaten tot de weg.

Jazeker, ik baal. Tenslotte is dit allemaal zonde van het geld, ofwel zondegeld.

Maar tegelijk ben ik ook een beetje trots. Ik ben écht ook wel eens stout, hoor! Ik ben echt geen ongezouten haring.
En om dat te bewijzen reed ik soms 26, in plaats van 24, op een scooter die 54 kon…
Living on the edge at home, zei Karel dan.
Maar weet je, sinds de dood zijn risico’s die niet verder gaan dan je portemonnee de beste.
Spanning en sensatie op de vierkante centimeter, meer heb ik echt niet nodig.

‘Ben je niet boos dat je scooter veel te snel reed, terwijl dat niet mocht?’ vroeg Dante toen we thuis waren.
‘Nee, boosheid heeft geen zin,’ zei ik. ‘We mogen blij zijn dat we geen ongeluk hebben gehad met die scooter die veel te hard ging terwijl wij geen helm op hadden. En regels zijn er niet voor niets.’
‘Dus eigenljik moeten we een helm op, als de brommer zo hard kan?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik.  ‘Maar nog beter is om te zorgen dat de brommer niet zo hard gaat.’

Je bent braaf of je bent het niet. Ik leg me erbij neer, ik ben en blijf über-braaf. Ik hou ervan.
Maar heel soms ga ik net buiten het lijntje. Gewoon als statement. Om te laten weten dat ik braaf ben uit keuze en NIET omdat ik bang ben.

Karin Kuiper – Home is where the heart is

Ik zat naast haar, en toch ook weer niet.
Zij was er namelijk niet helemaal. Ze was er alleen lichamelijk, haar hoofd was elders – samen met haar hart.

Ik herkende het. Zo heb ik ook een tijd over de wereld gezworven.
Home is where the heart is, dacht ik destijds vaak met tranen in mijn ogen. En ik wist dondersgoed dat mijn hart zoekende was naar die ene man die er niet meer was en nooit meer zou zijn… En daarmee ‘wist’ ik dat ik nooit meer ‘thuis’ zou komen.

Het was een vreselijk tijd. De wereld die altijd vol avontuur had geleken, en van de ene uithoek naar de andere avontuur bood, leek nu alleen maar veel te groot en leeg. Ik wist niet waar ik mijn hart moest zoeken en een thuis moest maken.
En dus ging ik naar Australië. Niet voor altijd, en niet met de verwachting dat ik daar mijn hart zou vinden. Gewoon op reis. Min en min is plus, herinnerde ik mij van de middelbare school. En leegte en leegte moest dus wel gevuld zijn, in mijn optiek. Gek genoeg was het nog waar ook. In de leegte van het Australische achterland, vond ik het meest essentiële deel van mijzelf terug. Het stukje van mijn hart dat mij tevreden liet zijn met mijn leven, dat met al haar ups en downs nog steeds mijn leven was. Ik kon er naar believen nog steeds niets van maken of iets van maken…
Tijdens onze reis (de kinderen gingen met mij mee) ontmoette ik veel bijzondere mensen. En al die mensen droegen op hun eigen wijze bij aan het eerste stukje van het herstel van mijn levenslust. Hun levensverhalen inspireerden mij, hun humor maakte mij soms aan het huilen en soms aan het lachen, en hun interesse en desinteresse gaf me de ruimte om naar mijzelf en ons nieuwe gezin te zoeken. Ik vond mijzelf als het ware opnieuw uit.

Maar ja, het succes van mijn reis ten spijt, daar had de vrouw naast mij niets aan. Zij had helemaal geen zin om naar Australië te reizen. Ze wilde maar één ding – terug in de tijd en samen met haar man het leven leven.

Ik wilde haar graag helpen, maar ik wist niet hoe. Ik deed een paar pogingen en zei een paar rake dingen en een paar dingen die kant nog wal raakten… Kortom, ik bereikte niets concreets en voelde me hulpeloos – of eigenlijk: niet in staat hulp te bieden.

Na deze ontmoeting besefte ik dat ik de rauwe rouw voorbij was. Ik ben weer een ‘gewoon levend’ mens geworden – iemand die af en toe hulpeloos moet toekijken hoe een ander lijdt onder de dood van een geliefde. Het enige verschil is, dat ik tegenwoordig weet dat er betere tijden komen, dat je hart niet eeuwig blijft zwerven, dat je weer een thuis zult vinden…

Karin Kuiper – De Eerste Dag

Op een kwade dag was het zover – ik was weduwe. Ik wist al een tijdje dat deze dag eraan zat te komen, maar dat hielp me niet mijn ‘toekomst’ slagvaardiger tegemoet te treden dan de eerste de beste nitwit op het gebied van rouw.

Het hele concept was onbevattelijk voor me geweest, en nu was ik slecht voorbereid. Ik wist namelijk uiteraard wel waarop ik me moest voorbereiden (een leven zonder partner), maar ik had geen idee hoe. En bovendien was ik ook nog eens doodmoe.

Het leek een beetje op de periode net na de geboorte van onze oudste dochter. Ik had me ‘ingelezen’ (in plaats van Moeiteloos Bevallen las ik boeken als Komt een vrouw bij de dokter en Confronting the Cow), maar wat me werkelijk te wachten zou staan in mijn eigen leven, daarvan had ik nog geen idee.
Ik wist nog niet dat de stresshormonen mijn lichaam in de afgelopen anderhalf jaar zo hadden vergiftigd dat het geheugencentrum in mijn hersenen letterlijk was aangetast, en dat de uitputting mij daarbij ook nog eens een chaotisch denkpatroon cadeau had gedaan.
Ik wist, kortom, nog bijna niets.

Het begon die eerste dag gelijk goed (vanuit de positie van een kwaadaardige trol bekeken althans) want in al mijn verwarring nam ik besluiten over ‘de kaart’ en ‘het afscheid’ die achteraf niet altijd heel verstandig waren en mij direct al op gespannen voet met een deel van mijn schoonfamilie en vrienden zette.
Weloverwogen waren mijn besluiten zeker niet. Als een slaapdronken sergeant op een slagveld vol slachtoffers gaf ik opdrachten, koos ik woorden, stond ik toe en verbood ik. Ondertussen zoemde er in mijn hoofd een doffe toon die alles te maken had met het slaapgebrek van de afgelopen dagen. Ik bekeek de wereld, het leven en mijn kinderen door een wazige bril, en ik was nauwelijks in staat drie zinnige gedachten aan elkaar te plakken. Maar de buitenwereld ‘zag’ niets van dat alles, en ik mocht niet op medeleven voor mijn redeloze gedrag rekenen. Het kwam me vooral op irritatie over mijn ‘onachtzaamheid’ te staan, of op goedbedoelde maar slecht ontvangen moederlijke adviezen van mensen die zelf geen idee hadden.
Voortdurend liep ik die dag even naar boven, om te kijken hoe Karel erbij lag. Meestal was er niets veranderd, maar soms waren zijn handen opeens gevouwen. Dan haalde ik zijn vreselijk mager (en lelijk, spijt het mij te zeggen) geworden vingers weer uit elkaar en vroeg hem hoofdschuddend en glimlachend wie dat nu weer gedaan had…
’s Avonds was ik alleen bij hem op onze slaapkamer toen het journaal begon. Tevreden kon ik constateren dat het opende met zijn overlijden, en dat fluisterde ik ook tegen hem.
Dat moment, waarop ik fluisterend en met tranen in mijn ogen naar hem toeboog, was het moment dat ik besefte dat ik behoorlijk van het padje af was, en dat het nog wel een tijd zou kunnen duren voordat ik weer ‘en route’ was.

De eerste dag was een van de vreemdste dagen van mijn leven. Als ik erop terugkijk ben ik nu vooral trots dat ik me er doorheen sloeg, zo goed en zo kwaad als het ging. Nam ik mezelf de eerste tijd na het overlijden alle ‘foute’ beslissingen en woorden van die dag kwalijk, tegenwoordig heb ik meer waardering voor mezelf en denk ik: Wow, ik bleef overeind!